| M | D | W | D | V | Z | Z |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | ||
| 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 |
| 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |
| 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 |
| 27 | 28 | 29 | 30 | |||

DE KROONEEND: EXOOT OF GEWOON EXOTISCH MOOI?
De krooneend is met z’n exotische uiterlijk één van de mooiste eendensoorten. Wellicht om deze reden wordt sinds jaar en dag gespeculeerd over de herkomst van deze zeldzame juweeltjes. Dat leidde ertoe dat de soort in de jaren tachtig en negentig niet alleen werd opgenomen op de Rode Lijst van bedreigde en karakteristieke broedvogels, maar ook in één adem werd genoemd met exoten als mandarijneend en Nijlgans. Een wilde herkomst werd daarmee openlijk betwijfeld. Exoot of inheemse broedvogel? Reden genoeg om de feiten over krooneenden eens op een rijtje te zetten en in de belevenissen van jachtopzieners in het verleden te duiken. De krooneend (Netta rufina) was hier een weinig talrijke vogelsoort die in de jaren zeventig fors in aantal is afgenomen Verbeteringen in de waterkwaliteit en herstel van kranswiervegetaties leidden sinds het eind van de jaren tachtig tot een duidelijke populatiegroei De krooneend is één van de weinige vogelsoorten die op de Rode Lijst van bedreigde vogels stond (Osieck 1986, Osieck & Hustings 1994) en ook als “exoot” werd opgenomen. De definitie van een exoot in eerste instantie omschreven als “…vertegenwoordigers van vogelsoorten of populaties die niet tot onze avifauna behoren of hebben behoord en wiens voorkomen aanwijsbaar is gelieerd aan het handelen van de mens (ontsnapping of vrijlating)”. Deze definitie wordt wat later bij de motivatie voor het opnemen van de krooneend, afgezwakt tot: “…er sterke aanwijzingen zijn dat (een deel van) de vogels uit gevangenschap afkomstig is”. Dat aandacht hiervoor niet alleen filosofisch of ornithologisch van belang is, komt doordat het karakteriseren van een soort als exoot ook grote beleidsmatige gevolgen kan hebben. Voor sommige als exoot te boek staande soorten wordt afschot of andersoortige verwijdering van individuen als een gerechtvaardigde natuurbeschermingsactiviteit gezien. Dit strookt uiteraard niet met het tegelijkertijd voorkomen van een soort op de Rode Lijst. Het leek daarom zinvol de definities eens goed te doorlopen en de historische kennis over de krooneend daarmee te vergelijken.
Toetsing van de definities:
Allereerst gaan we in op de vraag of de status van de krooneend voldoet aan de uitgangsdefinitie: “een vogelsoort of populatie die niet tot onze avifauna behoort of heeft behoord en wiens voorkomen aanwijsbaar is gelieerd aan het handelen van de mens (ontsnapping of vrijlating)”. Vervolgens beoordelen we of de populatie voldoet aan de verruimde definitie (“sterke aanwijzingen voorhanden dat (een deel van de) vogels uit gevangenschap afkomstig is”). Dit laatste criterium wordt wat summier toegelicht door diverse deskundigen, maar verdient feitelijk enige aanscherping voor een juiste toetsing. Het doelt in dit geval op de vestiging van een soort als broedvogel als gevolg van menselijk handelen. Ik wil daarom uitgaan van de volgende omschrijving: “de eerste vestiging van een soort als broedvogel als gevolg van een substantieel aandeel uitgezette of ontsnapte vogels”.
De krooneend is geen exoot:
Meldingen van krooneenden vanaf het eind van de negentiende eeuw duiden op de aanwezigheid van wilde vogels en uitwisseling met populaties in Europa. Zo zijn er waarnemingen van krooneenden in Nederland uit mei 1911 op de Ankeveense Plassen en op de Nieuwkoopse Plassen. Uit latere jaren volgen meer waarnemingen, ook van buiten Nederland. Hoewel nestvondsten of vrouwtjes met jongen tot en met 1942 onbeschreven bleven, is het mogelijk dat krooneenden zich ook daarvóór in Nederland hebben voortgeplant. Ook elders in West-Europa (Duitsland, Denemarken, Zwitserland) zijn krooneenden reguliere broedvogels sinds de negentiende of begin twintigste eeuw. Het geografisch verbrokkelde voorkomen van de soort kan niet als argument voor een onnatuurlijke herkomst worden gehanteerd, aangezien ook in de rest van het verspreidingsgebied in Zuid- en Oost-Europa en Azië de soort bepaald niet gelijkmatig verspreid is. Samenvattend kan dus gesteld worden dat de krooneend in Europa tot de oorspronkelijke avifauna behoort omdat de soort op eigen kracht in aantallen van betekenis aanwezig was en is. Dit geldt in èn buiten het broedseizoen. Nadat we hierboven hebben vastgesteld dat de krooneend volgens de uitgangsdefinitie geen exoot is, kunnen we nagaan of de broedvogelpopulatie in meerderheid afkomstig is van wilde vogels of is voortgekomen uit losgelaten dan wel ontsnapte vogels. Om redenen die hieronder zullen worden toegelicht is het onwaarschijnlijk dat de krooneend een exoot is op basis van het criterium dat de eerste vestiging van de soort het gevolg is van menselijk handelen. De broedpopulatie van Vinkeveen-Botshol is van wilde herkomst. Voor de Vinkeveense Plassen en omgeving wordt al sinds jaar en dag vermeld dat er mogelijk vogels van gekweekte exemplaren afstammen.
Volgens jachtopziener Jacob van der Plas (71 jaar) uit Nederland bleef het lange tijd onduidelijk waar deze tamme vogels dan vandaan gekomen waren. De jaren dertig en veertig van de vorige eeuw waren gezien de politieke situatie geen periode waarin het eenvoudig was om eenden te betrekken uit ver weg gelegen brongebieden zoals Oost-Europa of Centraal-Azië. Jacob vertelde dat zijn familie in de oorlogsjaren bij wilde krooneenden eieren weghaalde om deze vervolgens door tamme wilde eenden uit te laten broeden als siervogel. Eieren van wilde eenden werden geregeld teruggeplaatst in de leeggehaalde krooneend-nesten, overigens om onduidelijke redenen. Volgens Jacob werden alle eieren uit een nest weggehaald, terwijl andere bronnen aangaven dat er minstens twee tot drie krooneendeieren werden achtergelaten. Het in het verleden beschreven nestparasitisme van krooneenden en wilde eenden is met deze verklaring ook naar het rijk der fabelen verwezen en geheel terug te voeren op gerommel met eieren door mensen. Dit wordt bevestigd door anderen waarnemingen aan deze broedpopulatie, waarin sinds 1992 bij vele tientallen krooneendvrouwtjes met jongen geen enkele pul van een wilde eend werd gezien of omgekeerd.
Krooneenden werden in het verleden al in de broedtijd gemeld.
In de overzichten die Wickevoort Crommelin (1863), Eykman en Sluiters (1942) geven, zijn vanaf 1849 meldingen te vinden die wijzen op aanwezigheid van krooneenden in geschikt broedgebied in het broedseizoen in Nederland. Het gaat dan om de aanwezigheid van zowel solitaire krooneenden als paartjes of kleine groepjes in de maanden maart t/m juli en juveniele vogels begin augustus. Een groot deel van deze waarnemingen is afkomstig uit het Vechtplassengebied of de Nieuwkoopse Plassen. Op grond hiervan wezen zowel Voous (1943) als Wiggelaar & Veenman (1960) reeds op de aannemelijkheid van voortplanting door krooneenden vanaf het midden van de 19e eeuw. Wezenlijk is echter dat reeds sinds lange tijd op meerdere plaatsen krooneenden in de broedtijd in voorkeursbiotoop werden gemeld. Natuurlijke vestiging was dus mogelijk. De “kolonisatie” valt samen met vergelijkbare ontwikkelingen elders in Europa. De krooneend heeft zich sinds het eind van de negentiende eeuw op veel plekken in West- en Centraal-Europa gevestigd. Een sterke aantalsgroei deed zich in veel van die gebieden voor sinds het midden van de jaren tachtig van de 20e eeuw. De krooneend is in staat om zeer geïsoleerde gebieden over grote afstanden te koloniseren, als zich geschikte habitatomstandigheden voordoen. Het pleksgewijze voorkomen op Europese schaal is dan ook een uiting van het dispersiegedrag van deze soort. Krooneenden zijn trekvogels met gescheiden broed, rui en overwinteringsgebieden. Een kenmerk van veel populaties die uit gevangenschap stammen is dat de “normale” patronen van migratie (gedeeltelijk) vervallen. Bij populaties elders in Noord- en West-Europa trekken de vogels voor een belang rijk deel weg naar overwinteringsgebieden. De fenologie van de soort is al in de jaren veertig beschreven voor Botshol, waar de aankomst vermeld wordt voor eind maart-begin april en wegtrek vanaf augustus. Voordat de wegtrek begint, verplaatsen de vogels zich naar kranswierrijke gebieden om de lichaams- en vleugelrui door te maken (juli/augustus).
Tamme vogels zijn niet altijd ontsnapte of losgelaten vogels:
Een andere reden waarom door diverse vogelkundigen vermoed wordt dat krooneenden uit gevangenschap afkomstig zijn, is het feit dat ze in de broedperiode erg tam zijn en door recreanten met brood worden gevoerd. Echter, veel watervogels vertonen in de broedtijd een vergelijkbaar mak gedrag. Futen en meerkoeten broeden tussen de boten en grauwe ganzen foerageren op gazons tussen de recreanten. De recreanten voeren eenden en geleidelijk is bij alle watervogels een zekere mate van gewenning opgetreden. Zodra de krooneenden gaan ruien (juni-juli) verandert dit patroon wezenlijk. De krooneenden worden schuw en verstoppen zich overdag tussen de oevervegetatie en laten zich niet meer voeren. Vermoedelijk foerageren ze vooral in de nacht op kranswieren: wanneer wij ’s ochtends als eerste met de boot op de plas waren, werden groepen waargenomen die vanaf het open water naar overgroeide oevers zwommen. Na de zomer, wellicht samenhangend met het begin van de eendenjacht, zijn de krooneenden erg schuw. Dit geldt ook voor de nazomerpleisterplaatsen. De tijdelijke tamheid in de broedtijd is dus geen argument om te veronderstellen dat de vogels ontsnapt zijn.
Wat is de invloed van de mens dan wel?
De hierboven genoemde argumenten sluiten uit dat de krooneend een exoot is. Het is duidelijk dat de populatie van wilde herkomst is. Het feit dat er in het verleden veel eieren uit nesten van krooneenden werden verwijderd en de uitgekomen vogels vervolgens in collecties werden gehouden, heeft geleid tot de veronderstelling dat de krooneenden uit gevangenschap afkomstig waren, terwijl het omgekeer de het geval is geweest. Het is uiteraard mogelijk dat, ook langer geleden, een deel van de krooneenden die in gevangenschap werden opgekweekt later weer is losgelaten. Het is zeker zo dat er ook nu nog eendenhouders zijn waar krooneenden jongen krijgen, die vervolgens de vrijheid krijgen (en kiezen). Het onderhavige bronnenonderzoek toont onomwonden aan dat het grootste deel van de krooneenden van wilde herkomst is. De soort is bovendien kwetsbaar vanwege het voorkomen in een klein aantal gebieden. De krooneend werd daarom destijds terecht opgenomen op de Rode Lijst van karakteristieke en bedreigde vogelsoorten. Inmiddels is de populatie zo groot dat de krooneend niet meer voldeed aan de criteria voor opname op de nieuwe Rode Lijst. Het moet voor ornithologen en vogelbeschermers toch mooi zijn dat zo’n exotisch mooie vogel zich spontaan en succesvol hier bij ons heeft gevestigd
| M | D | W | D | V | Z | Z |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | ||
| 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 |
| 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |
| 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 |
| 27 | 28 | 29 | 30 | |||